vrijdag, oktober 04, 2019

Verhaal 6 Marokko


Het is de derde keer lange dat Frits en ik de haven van Tanger aanlopen. In 1982 legden we ’s nachts aan met onze 8 meter lange Wharram catamaran aan de kademuur van Tanger. Na een paar uur geslapen te hebben werden we gewekt door luid gezang uit de moskee. We wilden eerst de formaliteiten regelen bij de douane alvorens te ontbijten. Helaas werden we direct uren vast gezet omdat we geen visum hadden. Met geweren op ons gericht moesten we onmiddellijk het land verlaten.
De tweede poging om Tanger aan te lopen verliep al beter. We waren welkom maar de nieuwe jachthaven was op 2 maanden na nog niet klaar en nog niet geopend door de Koning. We konden wel tegen een te duur tarief langszij een smerige kademuur liggen in de visserijhaven tussen een berg plastic zakken, het afval en de ingewanden van vissen. Te smerig maar wel boeiend. En dan nu de derde keer liggen we in een super schone en goed onderhouden marina aan een flink goedkoper tarief dan aan de vieze kademuur. Niks lijkt Tanger te veel om een goede indruk te maken: om de paar meter design prullenbakken, design lantaarnpalen in 3 soorten, fonteintjes voor de haven langs die af en toe omhoog spuiten, groene grasveldjes die gesproeid worden, grasrandjes die met pikhouweeltjes kaarsrecht worden afgestoken door mannen die dat op de hurken moeten doen, mannen die de hele dag met veger en blik de brede boulevard aanvegen…Als het lukt om het zebrapad over te steken in het hele drukke snelle verkeer dan zien we het echte Tanger.( Niet wachten bij een zebrapad, maar gewoon oversteken anders stoppen ze niet. )
De eerste dagen in Tanger doet Frits een aantal reparatieklussen. Een houten blokje waar  een scepter van de reling op vast zit is afgebroken. Het blokje moet er af, opnieuw geschuurd, in de epoxy, weer geschuurd, geverfd en gekit. Daar is hij wel even zoet mee. Ik ben zoet met de was op het voordek. Er is geen wasmachine in de haven. In een wasserette moet je per stuk wasgoed betalen. Dat spaar ik liever uit om uit eten te gaan. De tajines zijn overheerlijk en heel goedkoop.


We willen het logwieltje in de romp er uit halen om het schoon te maken. Er ontstaat dan een gat in de boot waardoor het zeewater naar binnen stroomt maar als er snel genoeg een dop op gezet wordt is er niet veel aan de hand. We hadden echter een dop die niet paste: het water stroomde de boot in en in een mum van tijd stond de romp blank. Gelukkig toch de juiste dop gevonden en na enig dweilwerk hadden we weer droge voeten.

Van dweilen en schrobben weten ze hier in de haven alles van. Iedere schoonmaker heeft zijn eigen taak en outfit. Elke dag worden de mooie steigers helemaal geschrobd en ontdaan van meeuwenpoep door de mannen met een groen-geel pak en spierwitte laarzen. Eventueel afval in het water wordt met een visnet opgevist door mannen met een blauw – oranje pak aan. Het water is groenig en super helder en lekker fris. Er zit heel veel vis bij de steigers. Ondanks dat je niet mag zwemmen in de haven laat ik me toch af en toe langs het zwemtrapje stiekem in het water glijden, als de schoonmaakmannetjes verdwenen zijn. Vrouwen mogen niet op het strand alhoewel ik ze soms wel zag, zittend in het zand met hun lange gewaden aan. Zwemmen mogen ze al helemaal niet. Roken op straat is voor hen verboden,  maar auto rijden mogen ze wel ( vaak in dure auto’s). De vrouwen die de straten en de zebrapaden schrobben zijn van top tot teen in het wit. De haven is super beveiligd. We hebben alleen toegang met een pasje en bij elke poort van een steiger staat een bewaker met een geel hesje en bij onze poort ook nog vaak 2 agenten omdat we tegen de stad aan liggen. De wandelboulevard wordt de hele dag tot ’s avonds laat in de gaten gehouden door beveiligers. ’s Avonds flaneren er heel veel stelletjes en gezinnen of groepjes jeugd over de hele brede boulevard met glanzend gedweilde grote tegels, maar niets blijft onopgemerkt door de beveiligers, behalve dan dat Frits en ik over verboden grasveld van de wandelboulevard naar de haven zijn overgestoken terwijl er toch duidelijk een bordje stond: “Pelouze interdit .” Foei.



In de stad en op weg naar het oude stadsgedeelte is het duidelijk anders: daar kan vies, kapot, schoon en super schoon rustig naast elkaar . Vrouwen die net bij Zara gekocht hebben in een luxe winkelcomplex lopen daarna de straat op langs kuilen en gescheurde vuilniszakken. Het stoort hen zo te zien niet. Ook alle soorten klederdracht kan ongestoord naast elkaar en met elkaar zowel bij mannen als bij vrouwen. We zien  meer stellen die hand in hand lopen dan een paar jaar geleden; we zien meer meisjes in vlotte westerse kleding, zelfs in ( korte) jurkjes, we zien meisjes nog in de traditionele kleding met of zonder hoofddoek. Maar de groepen jongens en meisjes mengen nog niet echt op straat. Meisjes kunnen heerlijk giebelen, zoeken wel contact maar zijn dan  ook wel weer  verlegen als ik reageer.
Op de steiger hebben we aanspraak met een Frans echtpaar dat al een jaar op de boot in Tanger woont. José werkt voor de Renault fabriek in Frankrijk, maar is tijdelijk in Tanger gedetacheerd. Het is zijn laatste werkweek hier. Op de dag dat wij uit Tanger wegvaren keert hij met zijn vrouw Nathalie naar Frankrijk terug. De boot blijft in de haven wachtend op verdere reizen die ze nog willen maken. Het is een erg leuk contact omdat hij ons wegwijs kan maken , ons met zijn dienstauto meeneemt om boodschappen te doen en het leukste van allemaal: ons meeneemt in de auto tot 100 km het binnenland in. Hun  dochter  Florence is een week op bezoek en José stelt voor om samen “op reis” te gaan. Makkelijker kan het niet om naar de twee stadjes te gaan die ik op mijn verlanglijstje heb. De verste plaats is Chefchaouen. Het kost ons twee en een half uur om er te komen omdat de goede vierbaansweg  al snel over gaat in een bochtige tweebaansweg waarbij inhalen link is. Als je iemand aanrijdt ga je per direct de gevangenis in, vertelt José. Het landschap is prachtig. Eerst nog vlak en zongedroogd geel. Later bergachtig met hoge pieken van het Rifgebergte.




Elke stad heeft een oude ommuurde stadskern die Medina genoemd wordt. Daar speelt zich het leven nog af zoals 1000 jaar geleden lijkt het. Een wirwar van kleine straatjes, een wirwar van kleurrijke mensen met hun koopwaar. Chefchaouen wordt de “Blauwe Parel” genoemd. Alles is er blauw geverfd: muren, deuren en soms ook de straten. En toch is het in balans en betoverend mooi.











Op de terugweg stoppen we in een kleinere plaats Tetouan en zoeken daar eveneens de Medina op. Deze lijkt niet op de vorige wat kleuren betreft: het is nog meer puur oud met aardse kleuren. Het doolhof is nog erger en de donkere steegjes intenser. We verdwalen en moeten in een steegje de weg vragen. De mevrouw praat goed Frans en vraagt welke van de zeven uitgangen we zoeken. Ze raffelt alle Arabische namen af maar we hebben geen idee. Haar zoontje van 10 moet ons naar een uitweg brengen. Daarna vinden we dankzij Florence, de dochter , de auto terug. We drinken nog iets op een terras. Het is geen probleem dat vrouwen buiten zitten, maar binnen zijn ze niet toegestaan. Florence, Nathalie en ik willen het toilet bezoeken. Dat kan eigenlijk al helemaal niet maar omdat ik een goed contact heb in het Spaans met de ober smokkelt hij ons naar boven naar het enige toilet, de verontwaardigde blikken van de voetbalkijkende mannen negerend. Het is een Frans toilet; dat moet dan maar. Als ik uit het toilet kom zijn moeder en dochter verdwenen.






Na een paar dagen migraine ben ik weer op oorlogssterkte. We gaan op “schoolreisje: met de trein naar het stadje Assilah aan zee aan de Westkust. Het station is super modern met marmeren vloeren. De roltrappen worden gepoetst. De trein heeft treincoupés met vaste zitplaatsen. Het landschap verandert van goudgeel in modderige ziltige vlaktes. Het doet ons aan het wad denken. De taxi brengt ons naar het centrum. Er is een haventje met kleine blauwe vissersbootjes. Omdat er gebaggerd wordt liggen een heleboel bootjes op een hoop op de kant. Het stadje is klein maar gezellig. Ook hier een Medina vol met leuke straatjes, kleurige tapijten, schoenen, tassen, mensen en heerlijke tajines. Elk jaar is er een schildersfestival waarbij muren beschilderd worden. 










Tussendoor doet Frits nog een grote klus. De kit van het dak boven de kuip is af en moet vervangen worden. De rail moet los, er moeten nieuwe schroeven in, het moet opnieuw gekit worden en nog een tweede keer omdat zon en wind de kit te snel doen drogen. De rail zit er nu weer strak in.\

Pas de laatste dagen komen we toe aan de Medina van Tanger. We zijn er 3 zomers geleden ook geweest en herkennen het nog goed. Ook al lijken Medina’s veel op elkaar, vervelen doen ze nooit. Liefst ga ik ergens zitten en laat ik al die beelden op me inwerken.

Op weg naar de Medina

De ingang van de Medina

De winkeliers stallen hun koopwaar uit. \Met een stok worden de tassen hoog opgehangen.

De bakker verkoopt een ronde gesuikerde koek.


Cactusvruchten. De stekels zijn er af en ze worden geschild.



Een heerlijk visje. O nee, het is een crepe met banaan en caramel.





Liefdeslied voor Medina

Medina, Medina, ik houd van jou.
Ik houd van jouw manden met noten en olijven,
Jouw kruidige geuren:
Komijn voor tajine met lamsvlees en pruimen,
Gember voor tajine met kip en citroen.
Sesam voor heerlijke koekjes met anijs,
Munt voor zoete thee met honing.

Medina Medina, ik houd van jou.
Van jouw kleine straatjes met wit en blauw,
Van jouw smalle steegjes soms donker en grauw,
Van jouw feest aan vrolijke kleuren
In tapijten, tassen, schalen, schoenen…

Medina, Medina, ik houd van jou.
Van de mensen in vele soorten en maten,
Als bezige bijen in een bijenkorf
Vredig naast elkaar.
Ogen te kort.

Medina, Medina, ik ben verliefd op jou.









vrijdag, september 20, 2019

Verhaal 5: Van Alvor naar Tanger


Wat hebben we een leuke tijd gehad met Lonneke, Stijn, Merijn en Julius. De eerste dagen moest iedereen even wennen aan de drukte op een toch beperkte ruimte met twee energieke jongetjes die wilden voetballen in de kuip. Julius schopte bijna de bal over  “Dynette” en Merijn maakte toch een smak van het bankje af! We lieten een kinderstoel aanrukken door Gilda voor Julius om de maaltijden onder controle te houden en we brachten zoveel mogelijk tijd door voor anker bij de zandbanken van Alvor waar de kinderen naar hartenlust  met emmer en schepje in de weer waren en niet te vergeten met het bootje van Coos en Martine dat nog van hun kinderen geweest is. Merijn heeft het bijna niet meer los gelaten. Ze hadden totaal geen watervrees en renden ook onbevreesd de branding in op het strand bij Portimaõ. Het tochtje van Alvor naar Portimaõ zat Julius koninklijk  in zijn knalroze kinderstoel over de zee te kijken terwijl Merijn met mij op het voordek zat en honderduit babbelde kijkend naar de spectaculaire rotskusten. Later stuurde hij met opa de haven in. We bleven een paar dagen in de haven van Portimaõ met zijn mooie stranden en stuurden Lonneke en Stijn zoveel mogelijk op pad met z’n tweetjes. Voor opa en oma geen straf om op te passen. Weer terug in Alvor mochten we de kajak en de supplank van Coos lenen. We hebben er veel plezier van gehad.



Wat is het dan ontzettend stil en niet leuk als ze weer vertrokken zijn. Wat missen we Merijn zijn stemmetje elke ochtend: “Opaaaa. Ik ben wakker !”. Dan mocht hij bij ons op het grote bed kletsen, met zaklampjes spelen en met ons rollebollen. Julius zat dan allang in zijn mooie stoel een banaan te verorberen. Gelukkig hebben we elkaar nog.


We waren naar het stadje Lagos gevaren ongeveer  een half uurtje naar het westen. Met de kinderen gingen we nog even voetballen. Julius verzwikte zijn voetje dat in het zachte zand was weggezakt toen hij de bal wou pakken. Hij gilde het uit en wou er niet op staan. Wat nu? En dan is een vangnet toch wel heel handig. Frits was op de boot gebleven. Wij belden Frits; Frits belde Gilda; Gilda belde haar boottaxichauffeur Carlos die met hun speedboot mensen naar Lagos brengt en weer ophaalt; Carlos kwam binnen 10 minuten en nam Lonneke, Julius en mij mee terug  in de speedboot naar Alvor met hoge snelheid . Julius was uitgeput en sliep de hele tocht; In Alvor stond Ugu klaar, hun werknemer die de tickets verkoopt voor Alvorsailing; Ugu bracht ons in zijn auto naar het privéziekenhuis van Alvor. Hij zei tegen de ambulancechauffeur die voor de ingang stond dat we een baby hadden die met spoed naar binnen moest. De ambulance maakte plaats en wij konden voor de deur uitstappen. Daarna duurde het uren voor we alles achter de rug hadden van wachten, inschrijven, naambandje maken, foto’s maken, dokters spreken, weer foto’s maken… Telkens als Julius moest staan leek hij een kleine flamingo met één opgetrokken pootje. Ondertussen waren Frits, Stijn en Merijn weer naar Alvor gevaren. Stijn kwam ons in de bloedhitte tegemoet om een lunch te brengen. Het ziekenhuis had alleen chocola en koekjes. Onbegrijpelijk. Het is klaar. De dokter heeft een minuscuul scheurtje in een voetbeentje gezien, Het moet vanzelf goed komen; we belden Carlos die ons in zijn auto ophaalde, op de rotonde parkeerde zodat Stijn naar de apotheek kon en die ons netjes weer bij de steiger afzette. Er zat maar één ding op om dit allemaal te verwerken: we gingen ijs eten! En Merijn koos in een winkeltje 4 kleine autootjes waarvan hij eentje heel lief aan Julius gaf

Terug in Nederland blijft Julius last houden. Er worden weer foto’s gemaakt. Deze dokter zegt dat het scheurtje in het scheenbeen zit. Tsjaaa! Gelukkig gaat het nu de goede kant op.
We zijn nog een aantal dagen zoet met het opruimen van de boot en vooral met het zandvrij maken ervan, met het inslaan van water, met boodschappen aanvullen, met bergen beddengoed en handdoeken wassen en…met het uit eten gaan met Gilda en Vitor. Ze bieden ons nog een tripje aan naar Lagos met de speedboot maar dan wordt het toch echt tijd om afscheid van hen en Alvor te nemen. Marie en Les , de buren van de Engelse catamaran doen ons uitgeleide onder scheepsgetoeter.
Lagos.





We vallen nog 2 keer droog zodat Frits nog wat reparaties kan doen aan de boeg waar toch weer een blaas onder de verf opbolt.


Op 9 september varen we de zee op. Er is geen wind en dus kunnen we net zo goed even stoppen  bij Portimaõ om te lunchen met  Addy. ( solozeiler uit eerder verhaal) Als het in de namiddag toch nog gaat waaien vertrekken we naar  Faro. Het is wennen. De golven zijn hoog, puntig , dwars en warrig. Het zeewater bruist tot op dekhoogte. Als ik tosti’s sta te maken ben ik net op tijd weer in de frisse lucht voordat het mis gaat. Buiten geen last. De zonsondergang is wonderschoon. Als het laatste rood uit de lucht is verdwenen, het laatste daglicht is verstorven, het maanlicht het overneemt, valt het anker bij Ilha Deserta, het verlaten eiland.


De volgende ochtend varen we om 7 uur met de meeuwen en de kleine vissersbootjes mee naar buiten. De zon staat te popelen om haar ladder te beklimmen. Haar warmte voelt weldadig nu de  thermometer maar 18 graden aangeeft en de wind fris is. De golven komen schuin achter in en bouwen op tot 2 meter, maar nu regelmatiger dan gisteren. We surfen er met hoge snelheid van af tot 14.7 knoop met gereefd grootzeil en genua. Portugal is verleden tijd, “Até logo Portugal “               ( tot later). We besluiten naar de ingang van de Rio Guadalquivir te varen. De golven bouwen op nu de zee nog maar 10 meter diep is. De rivier leidt naar Sevilla maar ook nu zien we er van af om daar naar toe te varen, net zoals 3 zomers geleden vanwege de warmte en de ondraaglijke kleine muggen. We varen wel de rivier een stukje op om een ankerplek te zoeken. Met de wind en golven achter inkomend surfen we naar binnen met hoge snelheid. Het grootzeil 2x gereefd en enkel een puntje fok remt nauwelijks af. Een rode vissersboot schommelt wild en surft aan stuurboord met ons mee en een tweede witte vissersboot wringt zich nog tussen ons in, dansend en wiegend op de golven. Frits stuurt veiligheidshalve net buiten de boeien maar heeft weinig speelruimte omdat aan stuurboord drie kanoërs verwoed vlak langs roeien om met ons mee van de golven af te surfen. Ik toeter tevergeefs op de scheepstoeter. Net als ik denk dat we ze gaan overvaren remmen ze af en laten ze ons voorgaan. Stressig momentje!






De volgende ochtend is er geen golf meer te zien totdat we weer op zee zijn en de wind toeneemt tot windkracht 6 met uitschieters naar 7 beaufort. 10 knoop met gereefde zeilen schiet wel lekker op om in de baai tegenover Cadiz te ankeren, naast Puerto Sherry. In het stadje Santa Maria is een grote Osborne Sherry bodega die er fantastisch uitziet. Er is een expositieruimte met op dat moment een expositie van  Costa Tur. Hele speciale aquarelschilderijen in eigen stijl. De wandeling van bijna een uur langs prachtig wit strand met palmbomen en langs heuvelachtige duinen begroeid met parasoldennen  is  zeker de moeite waard. Het stadje zelf is echt Spaans, geen toeristen, leuke pleintjes, vriendelijke mensen, heerlijke tapas.


 Aangezien het te hard waait om brood te halen moet ik zelf aan de slag. Het deeg had er zin in en raakte net niet het dak van de oven aan.


We gaan een dag in de haven liggen van Cadiz om gezellig de sfeer van de mooie oude stad te proeven. Helaas kwam de voorspelde regen uren eerder en hebben we vooral kroegjes gezien waar we gingen schuilen onder het genot van een biertje met tapa. Ook niet verkeerd. De zo aangename stad verandert in een mum van tijd. Toeristen sjokken met zure gezichten onder een plastic regencape, anderen springen een winkel in om te schuilen. De Spanjaarden blijven onverstoord onder een luifel of parasol van hun drankje genieten. In de smalle sfeervolle oude straten ontstaan dikke plassen en de keitjes worden spiegelend glad.  Alleen de bladeren van de eeuwenoude ficus zijn blij het stof van een hete zomer weg te kunnen spoelen. De draaimolen bij de prachtige kathedraal is verlaten al doen de paardjes nog zo hun best te blijven huppelen.



We vinden de haven van Cadiz niet een haven waar je vrolijk van wordt en we zoeken liever de mooie baai er tegenover weer op. Een Nederlands stel dat in de haven ligt, David en José- Anne, gaat mee en we hebben het heel gezellig samen met koffie drinken, lunchen en heel veel praten. Opvallend hoeveel raakvlakken je met andere mensen kan hebben en hoe snel het kan klikken. Zij blijven tot het eind van het jaar in Cadiz, wij blijven nog enkele dagen in de ontspannen baai liggen. Alleen in het weekend zijn oordoppen noodzakelijk vanwege de veel te harde discodreun.
Op 18 september willen we rond 7 u de baai uitvaren maar het is nog pikkedonker. Eerst koffie met ontbijt voordat een half uur later de lucht roze kleurt in het oosten. Langs een boeienrij varen we naar buiten om de verschillende ondieptes te ontwijken. We geven een groot cruiseschip maar liever voorrang.



Het plan was naar Tanger te varen maar er is zo weinig wind dat we besluiten de koers iets te verleggen en nog even in Spanje te blijven. Langs een wonderschoon stuk kliffengebied varen we naar Barbate. De kliffen doen aan Engeland denken maar dan is zijn de schakeringen van de kleuren crèmekleurig. Ze lijken gebeeldhouwd door een getalenteerde beeldhouwer die zijn fantasie de vrije loop heeft gelaten. Bovenop een deken van parasoldennen en een eenzame toren houdt de wacht.


De haven van Barbate is geen aanrader. We liggen aan een steiger waar het stinkt naar meeuwenuitwerpselen, waar de hele dag lawaai is van een klopboormachine die een gebouw een kopje kleiner maakt, waar het heel ver lopen is naar het stadje langs een saaie opgebroken weg, waar geen sfeer is behalve in een paar straatjes waar de mensen hun gevel en stoep versieren met fleurige bloempotten. Gelukkig is hier wel mooi strand.



Donderdag varen we op tijd de haven weer uit, weg van het lawaai en de zurige lucht van de meeuwen. De thermometer klimt al snel van 17 graden naar 23. De zee is bladstil, geen rimpeltje. Op de motor varen we kalm naar de overkant. Zoals voorspeld komt er rond de middag wind en kunnen de zeilen op en de motor uit. Spanje verdwijnt in grijze mistflarden. Aan de overkant is het lichter. De contouren van Marokko tekenen zich al snel af. Het is druk met grote schepen in de scheepvaartroute heen en weer tussen de Middellandse zee en de Atlantische Oceaan. Ook tientallen vissersboten dobberen met hun netten uit. We zien overal rijen aan elkaar geknoopte ballen die aangeven waar het net is. Goed uitkijken dus ( we zijn twee jaar geleden in een vissersnet gevaren bij Agadir en dat moet ons  maar niet weer overkomen). We hebben zelf ook een lijn uitgegooid, die met het plankje dat onder water trekt. Ik had folie aan de haakjes gedaan als blinkertje. En…beet. Een hele flinke makreel zoals we nog nooit gevangen hebben. Hij paste niet in de emmer. Ik wou hem verdoven met een slok rode wijn in zijn kieuwen (alvast marineren, haha ) bij gebrek aan sterke drank. Dan leggen ze direct het loodje, maar de wijn was niet sterk genoeg. Hij spartelde de hele kuip en onze kleren onder de rode wijn. Geen goed idee dus. Toch was hij snel versuft en heb ik hem op het voordek panklaar gemaakt. En hij was lekker.
Rond 16u worden we met veel egards ontvangen in de haven Tanja Marina Bay van Tanger. Twee jaar geleden lagen we nog bij de vissers aan een kademuur tussen de visingewanden van het slachtafval. De haven was toen nog net niet klaar. Nu is hier een grote marina in het zicht van de stad. We worden er door wel 10 mensen super vriendelijk ontvangen, elk met hun eigen rol. De landvasten worden aangenomen, de steigers worden aangeveegd. Elke steiger heeft zijn eigen mannetje dat de hele dag op en neer loopt om alles in de gaten te houden. Het gaat er hier efficiënter aan toe dan in havens van Cadiz en Barbate. De zonsondergang is veelbelovend.



Eens kijken wat de nieuwe dag in petto heeft.