vrijdag, juli 31, 2020

Verhaal 16 Terug naar de thuisbasis.



We blijven een paar dagen ankeren bij de brug van Cadiz. Deze indrukwekkende brug is met zijn 69 meter doorvaarhoogte en 185 meter hoogte tot de top van de hoogste spankabel de hoogste brug van Europa en is zelfs hoger dan The Golden Bridge in San Francisco. Hij heet “ El Puente de la Constitución” en verwijst naar de grondwet van Cadiz in 1812 met dezelfde naam. De brug is 5 km lang en verbindt Cadiz met Puerto Real aan de overkant van de baai en is bedoeld om files op de al aanwezige brug onder controle te krijgen. Dat de kosten van de brug vier keer zo hoog uitvielen als geraamd deed de burgemeester van Puerto Real besluiten niet op de opening te verschijnen te meer dat gewone burgers niet uitgenodigd waren.


Voor ons is het feest als ’s avonds de verlichting over de gehele lengte van de brug aan gaat en ook alle lichten in naburige masten, op straat, op schepen. Het lijkt Kerstmis en de volle maan prijkt als de piek bovenop de kerstboom.


We mogen de bijboot in een klein haventje neerleggen als we de stad in willen. We lopen vroeg in de morgen voordat het warm wordt. We kiezen mooie straten, gezellige pleintjes, de hele ruim opgezette gezellige markt, kerkjes om te bezoeken, maar de grote kathedraal is helaas gesloten vanwege Corona. Vorige keer dat we in Cadiz waren hebben we de kathedraal niet bezocht omdat er rijen mensen stonden te wachten en omdat het pijpenstelen regende en we onze toevlucht zochten in het minikroegje vlakbij.


Wat een lekker ijsje, of nee het is een aardappelslaatje

Het plein is nagenoeg leeg, Stoelen staan nog opgestapeld.

Als troostprijs gaat op de bloemenmarkt een flamencodanseres zich opmaken voor een straatshow. Ze heeft een boodschappenkar op wieltjes waar haar geluidsbox, haar kleren, haar castagnetten en haar hoedjes in passen om geld op te halen.. Ze is een rot in het vak, niet meer de jongste maar super slank en lenig. Ze danst zich in met armen zwaaiend en met voeten roffelend en dan begint het echte werk. Ze danst en zwiert haar rode met zwarte stippen  flamencorok sierlijk als een uitwaaiende pauwenstaart. Een oude Spaanse man klapt en juicht haar toe. De rok wordt aan de kant gegooid en nu, geheel in het zwart en in lange broek, gaat ze op een stukje spaanplaat staan van nog geen vierkante meter. Ze laat kundig zien hoe ze in razend tempo met haar voeten op het spaanplaat kan roffelen, onderwijl pirouettes draaiend. Er zijn weinig of geen toeristen, de meeste mensen lopen door met mondkapje op, zonder acht op haar te slaan. Veel zal er wel niet in haar hoedjes belanden.


Op 4 juli komt de zon rood op in een rode lucht net als we onder de brug doorvaren om de weg richting Portugal te vervolgen. De beloofde oostenwind blijft uit en grotendeels op de motor varen we tot Mazagón. Toch konden we een stuk zeilen  met twee vislijnen uit. Twee keer viel de vis weer van de haak, maar de derde keer was het goed raak. Een heel mooi roofvisexemplaar aan de scherpe tandjes in zijn grote bek te zien. Hij glanst als een spiegel en is een beetje gestreept op de zijkanten. We verdoven hem met een borreltje zodat hij snel buiten bewustzijn is, Op het voordek ga ik hem slachten, niet het leukste werk, en ik fileer er twee hele mooie rode biefstukken van. ’S avonds gebakken in de pan lijkt hij op kipfilet met het stevige witte vlees, zacht van smaak. Hij heeft geen vissensmaak.


Langs de vele vissersvlaggetjes manoeuvreren we naar de ingang van Mazagón. Het is zaterdag en de stranden zitten overvol, parasolletje aan parasolletje. Blijft zo vreemd dat op het strand blijkbaar mondkapjes niet hoeven maar zodra je de straat op komt of in een winkel bent wel. Het is een drukte van belang met kleine bootjes en waterscooters die ons met tien tegelijk bravoureachtig om de oren vliegen. Op zich is het een mooie plek met heuvels en mooie huizen verscholen tussen de parasoldennen.
De volgende ochtend, als het strand alleen nog maar voorbestemd is voor joggers en mensen met hondjes, varen we naar de pier. Bij het havenhoofd hebben zich al heel wat kleine vissersbootjes verzameld. Sommigen in een vol bepakte kano met aan elke kant een voet in het water voor de balans.


We varen bij gebrek aan wind op de motor naar de ingang van de rivier die leidt naar het dorp El Rompido. Het is zondag en de stranden zitten nog voller dan gisteren. Elk inhammetje waar zand is, is bezet door hele families die er hun kampement opslaan. Na het weekend blijven die tenten soms staan, misschien als gereserveerde plek voor het volgende weekend.


Een chaos aan motorbootjes en waterscooters maar met minder bravoure. Van privacy of afstand houden hebben Spanjaarden nog niet gehoord. Het gebeurde tot drie keer toe dat hele families met kinderen een plekje uitzoeken precies bij onze boot. Een klein bootje met aangeschoten lui ankeren naast ons. Vanuit het keukenraam had ik ze een hand kunnen geven, terwijl de hele rivier verder leeg is.
Na een hele dag tussen Spaans kindergegil, en die kunnen er wat van, zijn we de rivier weer afgezakt voor een rustig plekje net zoals de witte reigertjes een rustige slaapplek zoeken in een boom. Het is zwoel en volle maan en dan weet je het wel. Om 24u zwem ik bij maanlicht onder een sterrenhemel. Zalig.
De volgende ochtend is zoals we ons dat voorgesteld hadden: geen sterveling, witte reigertjes en eksters pikkend in de modder, liefelijke vogelgeluiden. We gaan een wandeling maken naar de overkant over wit zand met struiken en hier en daar een prachtige witte bloem. We volgen de kleine sporen van vogelpootjes en de ieniemienie stapjes van ieniemienie zwarte kevertjes en bereiken het prachtige strand aan de Atlantische kust.



Een Spaans jacht is drooggevallen op het strand en wijst ons de beste plek met hard zand. Wij willen het onderwaterschip schoon maken want daar zit op de waterlijn al een flinke groene snor en de rompen zijn bedekt met een laagje bruine aangroei. We lopen aan de grond vlak voor het harde zand en moeten dus in de modder aan het werk. Gelukkig heb ik waterschoenen want ik zie honderden krabben het water uitvluchten, een ware uittocht naar de zon, totdat ze het te warm krijgen of bang zijn voor voetstappen en een holletje induiken dat ze zelf gegraven hebben.

zoek de krabbenpootjes

We maken elk een romp schoon. Het is heel zwaar werk en ik voel me ook de dag erna nog gebroken van de spierpijn in mijn rug. Frits moet zijn arm ontzien vanwege een slijmbeursontsteking. Maar… we hebben weer schoon schip gemaakt!



Het is nu heel rustig, vissers doen hun werk.



El Rompido is een gezellig klein plaatsje met haven, pleintje bij de kerk en vele visrestaurantjes op het strand.


We maken een wandeling door natuurgebied en vinden het heerlijk om eens een keer boslucht op te snuiven. De hoge parasoldennen doen ons aan Afrika denken.


een vijgenboompje tussen de eucalyptusbomen.

De vruchten van deze cactus ken ik wel maar ik heb hem nog nooit  zien bloeien. 


Een bijzondere avondlucht. Het is zwoel, bijna volle maan en de krekels laten van zich horen.


De tocht van El Rompido naar Ayamonte verloopt in een heel prettig rustig zeilend gangetje met 3,5 knoop. Plots zien we iets groots drijven. Ik denk aan een onbemande rubberboot, Frits ziet er een paard in met opgeblazen buik. Had gekund, ware het niet: “Wat doet een paard op zee?” We gaan toch maar even kijken, stel dat het een rubberboot is waar iemand uitgevallen is. Het is inderdaad een beest. Een dode walvis van ongeveer 4 meter lang drijft met opgezwollen buik, de baleinen voor zich uit, bruine vlekken waar de ogen zitten… luguber beeld. We varen er omheen, krijgen dan de wind in de neus en worden overvallen door een kotsmisselijkmakende  stank. Wegwezen.                                                       
Het was net tegen lunchtijd. Ik hoef eigenlijk even niet meer, maar om de stank te verdrijven ga ik broodjes met boter bakken in de pan. Maar de broodjes zijn langwerpig en hebben dezelfde kleur als de dode walvis. Huh, Ik bak een pan vol dode walvisjes. De volgende broodjes die ik koop zijn rond!

We liggen een dagje in de haven van Ayamonte, het laatste Spaanse stadje op onze terugweg naar Portugal. We hebben hier alle gelegenheid om water te tanken, de was en boodschappen te doen, onder een douche te staan met een douchekop groter dan een eetbord. Hij is heerlijk en we laten het koude water overvloedig stromen. Het is buiten 38 gr en dat is zelfs voor ons een beetje veel.   Op een terras verkoelen we de innerlijke mens met ijskoud bier en gefrituurde visjes. Wat kan dat toch smaken.


Ik hoor plots een bekende stem op de steiger en herken dan Liesbeth en Leo, Belgen die we in 2017 ontmoet hebben in Santa María en op de Rio Guadiana. Op een terras in de schaduw en helemaal voor ons alleen kletsen we uren lang. We zouden kunnen blijven kletsen.
Zij varen naar Albufeira terug, wij willen het sfeertje van de Rio Guadiana nog even proeven en zeilen 10 M opwaarts naar een onooglijk klein dorpje van een paar huizen, Foz Odeleite, met als reden dat daar een uitstekend restaurant is met uitzicht op de rivier. Dat zien we wel zitten. Zoals altijd genieten we van de goudgele heuvels aan Spaanse en Portugese zijde afgewisseld met olijfbomen, druivenranken, cipressen en naaldbomen. “ Mijn huizen” die ik vorige keren al had uitgezocht staan er nog, alsook de vele ruïnes en onafgemaakte gebouwen.


Het is bloedheet op de rivier maar we wandelen door de kleine straatjes naar het restaurant. Jammer, het is gesloten op maandag. En misschien wel altijd. Waar moeten ze het van hebben? Niet van de paar toeristen die misschien langskomen en niet van die paar mensen die hier nog wonen.



Ik ben creatief in het snel bereiden van toch iets lekkers aan boord, een latertje maar het is toch veel te warm om naar bed te gaan. Frits doet een poging en ligt met natte washandjes in bed. Ik pieker er niet over om in bed te liggen en blijf op het voordek onder de sterrenhemel. Onmiddellijk zie ik Grote Beer en vele andere sterren in de Melkweg. Ik ben in slaap gedommeld want als ik door hardnekkig hondengeblaf van wel  5 honden wakker word, is het steelpannetje van Grote Beer  meer gekanteld en loopt de melk in de rivier. Is het daarom dat grote vissen voortdurend uit het water springen? Nog steeds 37 graden om 23u30 en ik ga de vissen gezelschap houden. Heerlijk verkoelend, maar afgedroogd is het alweer warm. Ik blijf op de bank slapen tot halverwege de nacht totdat ik afgekoeld bij Frits kruip.
De volgende dag is de keuze makkelijk: terug naar zee maar omdat het tegenwind is om naar Culatra te gaan ankeren we nog een rustig nachtje nu aan Portugese zijde. Minder mooi dan bij de Spaanse zandplaten waar de meeuwen proberen zo lang mogelijk hun voetjes droog te houden, maar wel zo rustig.

Zandplaat aan Spaanse zijde

Spanje vaarwel gezegd  ( net op tijd want mondkapjes zijn nu overal en ook op straat verplicht; boete bedraagt 100 euro. De regels in Andalucia zijn weer aangescherpt) moeten we even wennen aan de Portugese tijden: een uur vroeger dus ook een uur eerder donker. De zon houdt het hier rond 21 voor gezien. Van Ayamonte naar Culatra is ZO wind beloofd maar…  nee dus. De zee is als een enorm groot deinend waterbed, gerimpeld door de fluisterende wind. Zou hij wat harder praten dan hadden we kunnen zeilen. Nu schommelen we langzaam op 1 motor langs de vissersvlaggetjes en visfarms. Weer een hele grote vis van ongeveer 2 meter drijft dood in zee. Hij is al te ver heen, anders hadden de vissers vlakbij hem wel aan boord genomen.  Het gewiebel is enerverend en de laatste mijlen gaan de sokken er in om bij Culatra te ankeren alwaar we zoals afgesproken Coos en Martine treffen. Hen hebben we leren kennen in 2011 op Tobago. Wat een leuke tijd was dat en het contact is gebleven. Een jaar geleden lagen we ook hier op dezelfde plek. Frits heeft onze oude Selva weer aan de praat en Coos heeft problemen met zijn buitenboordmotor: Coos kan onze Selva lenen. Eerst uitproberen is wel zo verstandig. In eerste instantie lijkt hij prima te lopen, gaat dan uit en is niet meer te starten. Een teleurstelling voor beide partijen.




Het is heel warm. De zon begint aan haar laatste meter in de afdaling en deze keer zwem ik niet in de baan van de opkomende maan maar in de baan van de ondergaande zon. Martine maakt een foto als we na de borrel bij hen aan boord in het laatste avondrood naar Ilha Deserta varen. We willen er de boot op een zandplaat droog zetten zodat we hem de volgende ochtend helemaal  kunnen schoonmaken. Frits moet er wel om 5u30 zijn bed voor uit.




De zon is rood ten onder gegaan.
De lucht kleurt van roze naar paars naar donker.
Aan de horizon een langgerekt lint van oranje lampjes van Faro tot Olhao.
Een zacht briesje streelt onze gebruinde huid
Maar beroert het water niet.
Het golft een beetje en doet de donkere silhouetten van ankerende bootjes wiebelen.
In de verte het geluid van piepende visdiefjes,
Gemurmel van stemmen dichtbij.
Het laatste motorgeronk van een bootje in het donker.
En dan is het vredig en stil
Zoals het overal zou moeten zijn.

De eilanden hier boeten al die keren dat we hier zijn niets aan charme en vredigheid in. Bij Culatra hebben we geankerd, op Ilha Deserta en Ilha do Farol gewandeld en op Armona boodschappen gedaan. Hier op de wandelpaden van de eilanden en dorpjes worden geen mondkapjes gedragen behalve bij een winkeltje. We moeten aanschuiven in de rij en mogen de winkel niet in. We vertellen de winkelmevrouw wat we willen, zij pakt het , krabbelt op een briefje wat het kost en als ik alles heb telt ze het hoofdrekenend op terwijl het rekenmachientje naast haar ligt. We schrokken wel van de prijs voor sommige producten: 3 euro voor een half wit niet lekker wattenbrood. Dan eten we wel lekkere crackers. Mijn eigen gebakken brood met oud meel is een misbaksel geworden en bleef te nat.

De vuurtoren van Ilha do Farol

Droogvallen bij Ilha Deserta, in de verte Faro



Wandelen op Ilha Deserta

Het is al weken heel warm en we maken een tent met een stuk plastic nog van Jörg gekregen. Het waait er heerlijk door en we kunnen er lekker lezen zonder oververhit te raken.



19 juli wordt het tijd om naar Portimȃo te verkassen . Om 6u 30, de zon is net op , zeilen we door de wasmachine bij de uitgang. Tussen de pieren staat nog een sterke ebstroom en wind mee. Met 8 knoop spoelen we door kolkende golven de zee op. Een deel van de tocht kunnen we zeilen maar als de wind wegvalt doen we één motor bij. Uit mijn ooghoeken zie ik van achteren een crèmekleurige vlek naderen en vlak langs de boot schieten gevolgd door nog een paar. Het zijn dolfijnen die even komen kijken maar dan door zwemmen behalve de laatste twee kleinere. Ze blijven een hele tijd voor de boeg hangen, duikend en springend als willen ze zeggen: “Wij zijn nog klein maar wij kunnen best al veel”, en wij zitten er met de neus bovenop. Ik noem ze Liesbeth en Leo omdat we net bij Albufeira zijn, de thuishaven van het Belgische stel Liesbeth en Leo.
We ankeren in het kommetje van Ferragudo. Vorige zomer werden we hier een paar keer boos weg gestuurd door de waterpolitie omdat we in de weg zouden liggen van cruiseschepen . Die zijn er nu niet en dus liggen hier nu een aantal jachten voor anker waaronder “ De Zwerver “ van Diederik en Nicole. We hebben hen in 2017 op de Canarische Eilanden ontmoet. Terwijl wij weer terug moesten naar huis, gingen zij met nog een paar andere Nederlandse stellen naar het Caribisch gebied waar ze twee jaar bleven. We hebben een paar keer met elkaar in Brussel afgesproken maar om hen nu hier weer terug te zien in een totaal gerefit schip is wel erg leuk.





Coos en Martine zijn ook gearriveerd: het sociale leven komt weer op gang na een maand met z’n tweetjes. Onvermijdelijk is dan het gezellig uit eten gaan met elkaar in een sfeervol Portugees restaurantje, al was het maar om de plaatselijke ondernemers hier te steunen. Het is erg moeilijk voor hen om hier te overleven zonder inkomsten : de anders zo drukke straten van Alvor met vnl. Engelse toeristen , zijn nu nagenoeg uitgestorven en de terrassen amper bezet. De ticketverkoop voor  charterboottochtjes ligt stil. We spraken Paulo die de hele dag in zijn hokje niks te doen heeft, Hij weet niet hoe hij zijn rekeningen moet betalen. Vitor en Gilda, de vrienden die een oogje op de boot houden als we er niet zijn, hebben mondjesmaat gasten aan boord van hun nieuwe schip, maar zij hebben tenminste nog aanvragen.





We zijn drooggevallen op een zandplaat bij de ingang van Alvor op prachtig hard zand bij Caribische temperaturen en glashelder water. De vissen schieten in grote getale voor mij uit als ik pootje baad in het opgewarmde water. We maken de boot maar weer eens schoon. Onder het brugdek was dat nog niet gebeurd en daar zat een beste laag pokken. Gebukt en op de knieën schraapten we ze van de rompen met een plamuurmes. Pokkenwerk maar wel dankbaar werk, voor zo lang het duurt.


Toeval maar erg leuk is dat Jan en Jolanda van de slagerij uit Musselkanaal ons komen opzoeken vanuit hun thuisbasis Odeceixe aan de Atlantische kant en dat Jaap uit Hindelopen hier ook is. Hij heeft zijn boot hier al heel wat jaren liggen. Bij het schoonmaken van zijn onderwaterschip merkt hij een scheur. Frits helpt hem met glasmat en epoxie om het te repareren.



Op Salon zit weer een scepter los die gerepareerd moet worden. En zo is er elke dag wel een klusje, maar om veel te klussen is het te warm. De dag begint voor mij met zwemmen en voor Frits met het dek dweilen omdat het vaak kletsnat is ’s morgens. Jaap heeft regelmatig het idee om samen ergens te eten. Het lekkerste waren toch de mosselen die Jaap van zijn boei geplukt heeft, die we samen schoongemaakt en klaargemaakt hebben in witte wijn. Ook Coos, die net terug kwam van Faro en vers gevangen doradefilets kwam brengen, smulde mee. De lekkerste mosselen ooit.






De maand Juli wordt afgesloten met, ja ja, alweer een etentje geregeld door Jaap en deze keer gaan de buren Les en Marie ook mee. Les zal ons maandag 3 augustus om 7u ’s morgens naar de steiger brengen waar een taxi klaar staat die ons naar het vliegveld van Faro brengt. We vliegen voor een tijdje naar Nederland terug en daar hebben we ook veel zin in. Gaan we dan maar even op dieet. 😏






































dinsdag, juni 30, 2020

Verhaal 15 Juni 2020 Weer Onderweg.



De laatste dagen van mei stonden in het teken van afscheid nemen van elkaar na een lange winterstop van 7 maanden die niemand bedacht zou kunnen hebben bij het aanmeren hier in Almerimar eind oktober 2019.
Nog een laatste Happy Hour, nog een laatste borrel bij Wouter en Paula op de Safari, nog een laatste keer boulen met z’n allen. Daarna is de groep gehalveerd en nemen Piet, Mieke en wij nog één keer de ballen ter hand.

    


En dan staat de kalender opeens geruisloos op 1 juni. We zwaaien de Safari van Wouter en Paula en de Wahoo van Henk en Houkje uit. Zij willen niet langer wachten op wat Madrid gaat beslissen over de lock down maatregelen. Nog even ankeren voor het strand  en dan verdwijnen ze uit het zicht alvast  een stukje naar het oosten opschuivend. Zo lang ze niet buiten de provincie mogen liggen ze daar vast. Het is stil zonder hen.


ontspannen nog even met een fietstochtje naar een volgend dorpje Guardias Viejas waar , zeer on-Spaans, geen enkel terrasje te bekennen  is om de dorst te lessen.


 



Na ontspannen komt inspannen:
We werken verder aan het balkje bij de voorbuis dat nog in de verf moet. 


Frits krijgt wonder boven wonder onze oude Selva motor weer aan de praat. Afgelopen zomer hadden we er veel startproblemen mee en we hebben toen in Alvor een nieuwe Honda gekocht. Onze oude jachtwerfeigenaar in Zuidbroek meende de oplossing te hebben en stuurde onderdelen naar Lonneke die in de grote doos hier belandden.
Hij zaagt uit een plaat perspex de juiste vorm uit om het gat boven de keuken af te dichten. Het was hier niet te krijgen maar Jörg neemt ons mee in de auto. Het gat is dicht, de afwerking komt nog.


Ik heb ook niet stilgezeten, of moet ik zeggen “stilgezwommen”? Ik heb al duikend het hele onderwaterschip schoongeborsteld, gewapend met borstel en plamuurmes, nodig om de hardnekkige kokkels van de rompen te steken. De rompen zijn bedekt met een groen “tapijtje” dat zich er makkelijk laat afwrijven en hier en daar groeit een boompje. Even zo goed ben ik meer dan 3 uur in het water duikend en watertrappelend met mijn duikpak aan en duikbril op. Ik heb ons duikflesje van 5 liter, dat Wouter nog had gevuld ,geprobeerd maar er lekt water in mijn mond en ik verslik me. Beter om zonder fles steeds lucht te happen en dan zo lang mogelijk onder water te duiken en te borstelen. Vermoeidheid voel ik pas als ik weer aan boord ben en onder de douche sta te trillen op mijn benen. Ik heb een grote rauwe plek opgelopen aan mijn rechter hak door de zwemvlies. In het water merkte ik niets maar het duurt dagen voordat ik niet meer half strompelend loop en uiteindelijk is de wond pas vier weken later dicht en voldoende genezen verklaard door dokter Frits zodat ik weer kan douchen en zwemmen.


4 juni is het al weer mis met de wind: hij komt uit het westen, stuwt golven recht de haven in en blaast bij windkracht 9 het zeewater over de dijk. De zon lijkt opgeslokt door het zout, de ramen zijn matglas met glinsterende zoutkorrels.
Wij hebben goede hoop dat vanaf 8 juni we vrij zijn om door heel Andalucia te reizen. Als inderdaad op 8 juni het licht op groen gaat huren we een auto voor twee dagen om mijn ouders te bezoeken. We blijven ons aan de “coronaregels” houden: niet knuffelen, afstand houden, handen wassen…enz. Het is heel gezellig om hen na al die tijd terug te zien. Met hen is alles goed, kerngezond !

Nu we toch een auto hebben wil ik graag nog wat in de omgeving rondrijden. De keus valt op Frigiliana, een bergdorpje van witte huizen met smalle straatjes, belegd met zwarte en witte keitjes , die met treden omhoog klimmen en opgefleurd zijn door vele potten met planten langs de gevels. Het moet een hele opgave zijn om er koelkasten, meubels, bouwmaterialen…etc. naar boven te sjouwen op steekkarren. ( en dan ook nog met mondkapje op in deze zomerse warmte).








We rijden via een ander wit bergdorp, Torrox, weer terug naar de kustweg.




We slaan de laatste voorraden in, nemen afscheid van Jörg die voor een tijdje naar Duitsland vertrekt, vieren met taart en visite Merijn zijn 4de verjaardag en tevens de halfverjaardag van Josephine  en dan is ook onze tijd gekomen om de landvasten los te gooien en de haven uit te varen.




We varen naar het oosten naar Cabo de Gata. De wind is gunstig, de zee nog hobbelig, mijn maag moet even wennen. Zo ook het zeilen zelf. Het blok van de overloop haakt achter de selftailinglier en rukt het bovenste gedeelte er af. Dat blijft geheel ontdaan op de onderste tree van de scoop liggen maar de zwemtrap voorkomt dat hij overboord spoelt. Kleinere onderdelen blijven op het zijdek liggen. Frits kan de lier weer monteren.
We ankeren samen met Edwin en Tonny en Piet en Mieke in de baai om de punt van Cabo de Gata in de prachtige baai Ensenada de los Genevesos, een hele mond vol maar dan heb je ook wat. We maken er hele mooie wandelingen langs het strand, door droge heuvels , over zandpaden tussen bloeiende of uitgebloeide agaven waar zwarte torretjes ons pad kruisen en hagedissen tussen dorre bladeren ritselen, over lanen tussen naaldbomen door, over rotsen tussen gele en rode aarde langs een oude windmolen naar het dorp San José waar dan een koud biertje wacht. Het zijn de glooiingen, de achtergrond van de bergen en de kleuren die mij in vervoering brengen, vooral bij laat zonlicht.







Na een paar gezellige dagen varen de anderen door richting Ibiza. Dat was ook eerst ons oorspronkelijke plan en daarna Italië maar niets is zo veranderlijk als plannen maken en de wind.
Omdat Stijn en Lonneke met hun gezin mogelijk al dit najaar naar Tanzania vertrekken voor Stijn zijn werk, hebben wij gekozen voor de makkelijkste optie: we varen naar “huis”. Ik bedoel  “thuis”in Portugal. We laten de boot in de maand augustus in Alvor bij onze vrienden en zoeken het groen en de gezelligheid van Nederland op.
We passeren nu Almerimar in de andere richting , overnachten in de haven van Adra, op de prachtige zonsondergang na geen aanrader .




We maken een tussenstop in Almuñecar bij mijn ouders. Net zoals afgelopen oktober  was de zee heel kalm en konden we voor het strand ankeren.



Op deze foto is de familie Van Landeghem voor een deel verzameld. Broer Erik woont in een mooi huis achter de eucalyptusbomen vlakbij de flat van mijn ouders. Broer Koen heeft een appartement in het complex rechts op de foto en ik woon op de boot voor het strand.
Er is dagenlang nauwelijks wind, niet te geloven, en veel mijlen worden afgelegd op de motor van Benalmadena naar Ceuta een stukje Spanje in Noord Afrika, grenzend aan Marokko . De zon komt op, precies achter het topje van een berg en zweeft als een grote gele ballon de lucht in. Al snel is hij niet meer te grijpen. Ondanks dat de beide motoren hun best doen lopen we soms niet veel harder dan 2 knopen omdat de stroming ons niet gezind is. We worden wel getrakteerd op een grote pilot whale, spuitend op een halve meter naast de boot. (Ik had er zo op kunnen springen zijn rugvin omklemmen en me laten meevoeren naar de onderwaterwereld); op een grote zwevende rog, op een zwarte haai en op een vermakelijke groep dolfijnen voor de boegen. We komen op de langste dag van het jaar rond 22u30 aan in de haven van Ceuta en worden vriendelijk ontvangen door de politie en de marinero die ons helpt met aanleggen in het schemerdonker. Het is tevens de zwoelste avond tot nu toe en een wandeling door de stad is onvermijdelijk. Boven ons hoofd krijsen de meeuwen in grote getale. Het doet ons denken aam Dover en Bretagne en voelt vertrouwd.



De eerste dag op Ceuta slenteren we door de stad, een verademing na 7 maanden Almerimar. Overal mooie koloniaal aandoende gebouwen, typisch Spaanse pleintjes, terrassen waar de Spanjaarden hun tapa eten, een fort uit de 5de eeuw  met oude Koninklijke stadsmuren dat te bezoeken is, geel gekleurde kerkgebouwen, kleine steile straatjes vooral naar het gedeelte waar Marokkaanse gezinnen wonen. Hun huizen zijn vierkante blokkendozen in allerlei kleurtjes. Op het smalste deel van Ceuta steek je in vijf minuten over van de zuidkant van het eiland naar de noordkant waar het druk is op het strand. Er leidt één trap naar het strand en wachters in oranje hesjes tellen blijkbaar hoeveel mensen het strand op mogen in verband met Corona. Soms wordt mensen de toegang geweigerd terwijl er echt nog wel plaats genoeg is. Wij zien de mensen op het strand en in het water in grote groepen dicht op elkaar. Er wordt omgeroepen wat de regels zijn maar er wordt niet ingegrepen. Ga je van het strand af door een lange onderaardse zigzagtunnel dan moet je plots wel masker op en twee meter afstand houden. Heel bizar. We worden één keer gecontroleerd met een “koortspistooltje” om het strand op te gaan. Om er te komen moeten we tussen Marokkaanse steegjes door en er blijken ook alleen Marokkanen te vertoeven. Plots een hek als afscheiding naar het grote strand waar de Spanjaarden zich vermaken. Is dit toeval? Is hier sprake van scheiding Marokkanen – Spanjaarden? Volgens de wachter heeft het met Corona te maken. Op straat draagt iedereen een mondkapje.











Het schiereiland behoorde tot het Romeinse Rijk maar werd in 931 na Chr. ingepalmd gedurende 500 jaar door de Arabieren. Daarna wisselde het van eigenaren: Spaanse prinsen, Marokkaanse sultans en Portugese koningen.  In een verdrag van 1580 waren Spanje en Portugal verenigd onder één koninkrijk maar toen beide landen  in 1640 zelfstandig werden gaf Portugal per abuis Ceuta aan Spanje. Tot op heden is het Spaans grondgebied. Marokko zou het terug willen net zoals Spanje Gibraltar terug wil. Waar Ceuta grenst aan Marokko is nog een Marokkaans dorp Benzú en even verderop is nog een klein gehuchtje van een paar huizen, de allerlaatste binnen Europa. Beneden van het strand af loopt een dubbel hek omhoog de bergen in, Dat is de grens met Marokko.
Dag twee nemen we de bus zonder vering naar het dorp Benzú. Het is een dorp van niks. Er is niks op een paar gekleurde huizen na. En toch is het speciaal. We wandelen een uur naar boven over een niet al te steile weg naar het uitkijkpunt van Isabella. Van daaruit kijken we op de imposante kale grijze bergen in Marokko. Ver onder ons zien we Benzú . Gezien het aantal auto’s op de parkeerplaats bij een werkplaats moet er toch wel wat bedrijvigheid zijn.





Bij een splitsing lopen we de weg naar beneden om vlakbij het hek te gaan kijken dat de grens aangeeft. Misschien hadden we één voet op Marokkaans grondgebied kunnen zetten. Maar er rijdt toevallig een auto van de Guardia Civil en we worden weggestuurd. De afslag naar boven mag wel. Een stratenveger wijst ons op de bergen in Marokko en legt uit wat we er in moeten zien: “De dode vrouw ”. Het valt niet te ontkennen dat daar hoog boven alles uit een dode vrouw ligt. ( wordt ook “De dode berg “genoemd.)


De huizen op de foto staan in Marokko.


De wind is na 2 dagen gunstig om naar Gibraltar te zeilen. Het is de eerste keer dat de motor niet bij hoeft en we aan de wind 7 tot 8 knopen lopen. Te snel om de POTVIS dichtbij genoeg te laten komen. Zijn gespetter en gesnuif is duidelijk te zien en te horen als hij recht op ons af stevent. Ik schreeuw nog dat we gaan botsen maar omdat we zelf ook vaart hebben gaat hij achter ons langs, kijkt nog even met zijn stompe kop uit het water, zwiept zijn staart ten teken van afscheid en verdwijnt. We hebben het gefilmd, wat nog niet meevalt op een flink bewegend schip. Niet veel later komt een grote groep dolfijnen capriolen vertonen en minutenlang voor de boegen zwemmen tot ze naar dieper water verdwijnen.
Het is druk in de scheepvaartroute, Bij de eerste oversteek een paar dagen eerder lagen veel tankers voor anker te wachten op orders. Nu lijken de meeste te varen, We moeten twee keer uitwijken voor zo’n groot “beest”.


Wij zijn het rode bootje op de AIS. Alle andere driehoekjes zijn andere boten,  Er is aangegeven welke kant ze opgaan en als je er met de muis op klikt dan zie je hoe hard ze varen en of ze dus een bedreiging vormen.

We tanken zeer goedkoop diesel in Gibraltar en  ankeren in de baai van La Linea, een vertrouwd plekje waar we ook afgelopen najaar hebben gelegen. Een ijskoud biertje met overheerlijke tapa bij zomerse temperaturen is wel verdiend.



Het wemelt van de vissen overal om en onder de boot. We springen er midden in ook al is het water nog koud. Frits controleert de schroeven. ( vorige zomer zijn we één schroef verloren)
Op 29 juni starten de motoren en gaat het anker op. Even later springt als een duiveltje uit een doosje de roze zon boven de flats van La Linea. Met de zon in de rug varen we langs een nog ongerept stukje groen Spanje met hier en daar een huisje of klein gehuchtje en kijken tegen dikke mistbanken aan waarachter Marokko verborgen ligt. De hoge berg kan zijn hoofd boven de mist houden maar van de dode vrouw “geen teken van leven.”  De mist blijft uren hangen terwijl wij prachtig warm weer hebben. Weliswaar is de wind pal achter, de golven kort en hoog en achter inrollend met nog een deining uit het westen en de stroom tegen. Een vreemde mix. Salon danst een vreemde wals over de golven, een beetje uit de maat maar we zeilen tenminste op grootzeil en uitgeboomde genua over de andere boeg. Om 10u10 passeren we de meest zuidelijke vuurtoren van Spanje op Tarifa.





Dag, Gibraltar !




Als we midden in een groep duikende en spelende dolfijnen terecht komen  dan is dat  als “de kers op de taart ”. Als we in een groep duikende en spelende ORKA’S terecht komen dan is dat als “ het glas koel bruisende champagne met roodzoete aardbeien”. Onmiskenbaar , met de grote witte vlek op hun wang. Bakboord achter komen ze doelgericht aangezwommen, soms in een koppel, en blijven vlak achter of naast de boot. Sommige maken een sprong uit het water en zwemmen dan net onder het wateroppervlak naar de boeg. De koppels doen aan simultaan springen en overtuigen ons van hun elegante accuratesse. Ze komen in de maanden juli tot september vaker voor  in de Straat van Gibraltar. ( Wij waren Barbate iets voorbij en het water was ongeveer 50 meter diep). Het zijn slimme roofdieren. Bij de Marokkaanse vissers staan ze er om bekend dat ze achter de tonijnen aangaan die de vissers naar boven halen. Als de tonijn op ongeveer 20 meter diepte is opgehaald gaan de orka’s er met de tonijn vandoor . Ze zijn wel zo kien om achter de kop af te bijten omdat ze weten dat in de kop van de tonijn de haak zit.


Ook hier hebben we filmmateriaal van maar dat moet nog bewerkt worden.
Helaas wordt voor de tweede keer de selftailinglier onthoofd. Deze keer fungeert de zwemtrap niet als vangnet en stuitert de kop van de lier van de scoop het water in. Ook al is het maar 20 meter diep, we hebben het nakijken.
Net als de zon in zee verdwijnt varen we de baai aan de overkant van Cadiz in en ankeren bij Santa María voor het strand na 74 Mijl op de teller en 14u en 30 min onderweg. We sluiten deze fijne maand juni af met een ankerplek onder de brug door bij het nieuwe deel van de stad Cadiz, beschutting zoekend voor wind en geschommel.