dinsdag, maart 30, 2021

Verhaal 3 Maart '21 "Portugal again."

 

Maart begint voor ons met een reis naar Hoogeveen om een coronatest te laten uitvoeren. Als hij negatief is krijgen we een Internationaal certificaat en mogen we naar Portugal vliegen. Van Hoogeveen rijden we naar Ter Apelkanaal om de auto in te leveren . Piet en Geertje zijn wederom zo lief om ons naar het station in Emmen te brengen waar we op de trein stappen naar Kamerik. Met Lonneke, Stijn en de kinderen zouden we daar onze laatste dagen in Nederland samen doorbrengen. Stijn krijgt bericht dat hun vlucht naar Tanzania met een dag wordt vervroegd. We hebben nog maar één avond samen. Een beetje hals over kop moeten zij de laatste dingen regelen zoals de overdracht van het huis, de overdracht van de auto en de laatste spullen wassen en inpakken. Omdat we beiden geen auto meer hebben haalt Petra van de B&B ons op uit Kamerik . Op 2 maart rijdt om 6u de taxi voor en vertrekken ze naar Schiphol. Het plan was dat we allemaal 3 maart zouden vertrekken en dat wij hen op Schiphol zouden uitzwaaien om een paar uur later zelf te vliegen. Dat plan gaat niet door. We zwaaien nu wat gehaast bij de achterdeur omdat de taxichauffeur weg wil. En al die bagage past maar net in de taxibus. Nu kunnen we op Schiphol ook niet helpen met de negen koffers . Ze hebben het natuurlijk prima gered. Wij hebben nog een rustige dag over met z’n tweeën, zo rustig dat de rust ons overvalt.

Op 3 maart in de namiddag zijn wij weer in ons drijvende huis in Portugal na bijna drie maanden vaste grond onder de voeten in Nederland. Ondanks dat we Lonneke en gezin nu al missen voelt het ook goed en vertrouwd om hier terug te zijn. Er wacht ons een leuke verrassing bij het binnenkomen in de kajuit: tijdens onze afwezigheid heeft de stoffeerder de nieuwe kussens klaargemaakt en onze kajuit ingericht. Het ziet er super strak uit. We hebben voor een zachtgroene stof gekozen om het te laten overeenstemmen met het groen dat we al hebben op de dakspanten en kastdeuren.

Het is super rustig in de haven. Dat komt mede door de coronaregels. Het strand is verboden terrein, tenzij je sport beoefent. Opvallend veel mensen lopen nu in trendy sportpakjes te joggen of te doen alsof. Het is voldoende om wat rek- en strekoefeningen te doen of een wandelstok mee te nemen om de juiste indruk te wekken. Watersport mag ook, maar op een handdoekje in de zon zitten weer niet. Hondje uitlaten op het strand valt blijkbaar onder sport, ook al staat er een bord  “Verboden voor honden.”  Op een bankje zitten is uit den boze; de bankjes zijn met linten afgezet zoals de weg naar het strand versperd is door hekken. Overigens zien we dat naarmate het weer warmer wordt, de hekken opzij geschoven zijn, de linten weggehaald, het aantal handdoekjes zienderogen toeneemt en de megafoon die omroept : “Blijf thuis!” verstomt.   De mensen zijn wel “mondkapjesgetrouw  ”. Ik begrijp dat je in de taxi, in de supermarkt of aanschuivend in een rij een mondkapje draagt. Ik begrijp niet dat je dat doet als je in je eentje schuw over straat loopt, als je in je eentje op de fiets racet of op een brommer scheurt. We hebben nog nergens controle gezien en in Alvor is sinds half maart de zondagsmarkt weer open gegaan. Kappers , winkels, bars en restaurants zijn nog dicht. Er zijn hier en daar wel Take Away restaurants open.


Op 18 maart, nadat we twee heerlijke dagen zonder knarsende steigers en krakende touwen geankerd hebben, worden we met de grote kraan uit het water getild en op een prima plek op een werf neergezet. Uitzicht op het water , veel ruimte rondom en slechts honderd stappen van de douches verwijderd. Het onderwaterschip moet dringend opnieuw geverfd worden. Dat is veel en zwaar werk dat we dertig jaar lang steeds zelf hebben gedaan. Nu voelen we beiden aan rug en ledematen dat de aanslag op ons lijf te groot zou zijn. We besteden het uit. Hier zijn jonge jongens die moeiteloos van 8u tot 18u met schuurmachines in de weer zijn en alle zwarte oude verflagen er af schuren tot alles glad is. Hoe gladder de ondergrond hoe beter de nieuwe lagen coppercoatverf gaan hechten. Het voordeel van deze koperhoudende verf is dat zich geen aangroei meer vormt onder water, hooguit een makkelijk weg te poetsen groen donsje. Het werk zal drie tot vier weken in beslag nemen omdat de verf ook nog een week moet uitharden.


Er zijn schepen in vele soorten en maten. We kunnen niet wedijveren met de échte grote jongens, maar we zijn zeker niet de kleinste en ook niet degene die het meeste onderhoud vereist.





Nadat het onderwaterschip afgespoten is met de hogedrukreiniger wordt hij met grote rollen plastic ingepakt en stevig met tape afgeplakt. Dan kruipt iemand in astronautenpak  onder de plastic tent en gaat de rompen met fijn zand stevig zandstralen. Het maakt veel herrie maar het schiet lekker op. De lagen zwarte onderwaterverf vliegen er af. Na gedane arbeid ligt er een duinlandschap aan grijs zand. Er komt een schoonmaakploeg die al het zand opveegt en opschept in kleine emmertjes. Waar het naar toe gaat? De tent wordt verwijderd en vervolgens is één jongen nog een aantal dagen aan het schuren om alles strak en glad af te leveren. Er wordt bekeken waar beschadigingen bijgewerkt moeten worden. Frits neemt het deel boven de waterlijn voor zijn rekening en schuurt en plamuurt zwakke plekken. Het is net als bij een huis: onderhoud je het niet, dan stort het in.







Ondertussen blijven wij op de boot wonen met af en toe een campinggevoel: vaak naar het toiletgebouw lopen, niet alleen voor het toilet en de douche maar ook om de afwas te doen met een teiltje. Op de boot kunnen we geen water gebruiken, de afvoeren zijn afgeplakt. Het is maar goed dat het al sinds 6 maart prachtig weer is: er kan doorgewerkt worden, we ontbijten buiten in de half open tent met de eerste zon in de rug ook al is het om 8u vaak nog maar een graadje of twaalf, gereedschap en onze fietsen blijven buiten staan…    In principe moeten we op de werf mondkapjes dragen, beetje flauwekul in de open lucht waar bijna niemand is. Toch worden we één keer “onder vuur “ genomen met een koortspistool op ons voorhoofd gericht als we op afstand met iemand staan te praten zonder mondkapje op. We blijken kerngezond en dat is dan toch, niet dat we er aan twijfelden,  een opluchting.

Ondertussen zitten we niet helemaal stil. Vooral Frits heeft de eerste week hard gewerkt om de watermaker  te  installeren en gebruiksklaar te maken. In NL had hij al plankjes geverfd die hij hier met deuvels in elkaar heeft gezet. De plankjes zijn in een doos samen met andere spullen vanuit NL naar de haven gestuurd. Rob, die ons de watermaker heeft helpen uitzoeken en die ons van advies heeft gediend, houdt vanaf de Canarische Eilanden contact. Voor anker proberen we de watermaker uit en tappen een liter in een fles. Frits biedt mij het eerste kraakheldere glas zoetwater aan.  Jezus mocht dan over water kunnen lopen en brood vermenigvuldigen, maar hij kon niet van zout water zoet water maken. Het smaakt heerlijk. Ik proef geen verschil met water uit een fles van de supermarkt.


Ik lees weer veel, doe de boodschappen op de fiets of lopend en houd op die manier mijn conditie bij. In de haven zwom ik elke dag baantjes van romp naar romp bij een watertemperatuur van  15 graden. Elke dag een paar baantjes meer. Nu op het droge mis ik dat echt, alhoewel ongeremd lang onder een warme douche staan toch ook zo zijn charme heeft. We gaan ook regelmatig samen op de fiets dwars door de stad naar een bouwmarkt, een soort Gamma die wél open is. Soms fiets ik alleen door de stad of naar een naburig dorpje op zoek naar typische straatjes en mooie oude of nieuwe deuren of vergane panden. In Portimão vind ik er veel. Oude half ingestorte krotten  naast mooie appartementen of huizen. Oud en nieuw, vervallen en modern vloeien in elkaar over als twee kleuren waterverf op papier. Het heeft een bepaalde aantrekkingskracht op mij, misschien omdat ik nieuwsgierig ben naar het verhaal er achter: wie heeft er gewoond? waarom is het niet onderhouden? waarom gebeurt er niets mee? Er is geen geld voor en het lijkt alsof het de mensen hier niet opvalt. Net zo min dat het hen opvalt dat het kwik regelmatig ruim boven de twintig graden is uitgestegen: ze houden hun dikke jassen en bodywarmers aan. Spontaan parelen zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd als ik hen zie.









Frits heeft een vergelijkbare interesse met al die boten die hier op de werven staan, weggestopt in een hoek van de werf, al jaren verlaten, verwaarloosd, tent en bijboot gescheurd, trossen mosselen aan de schroeven, geen likje verf meer er op… Dat kan alleen op een tragedie wijzen.

We kunnen de volgende klus niet langer uitstellen: de plafondbekleding in de kajuit komt naar beneden vallen. De schuimrubberlaag laat los van het vinyl .


We trekken de twee banen er makkelijk af maar vervolgens moeten alle resten van het schuimrubber er af. Het is verworden tot zand maar zit nog vast in de lijmlaag: met de stofzuigerslang schrapen we alles weg. Het is zo zwaar werk om boven ons hoofd te moeten werken met nek- en schouderklachten dat we elkaar om de paar minuten aflossen. Daarna begint het secuur meten, aftekenen en knippen van de nieuwe stroken. Uit Nederland hebben we een grote rol vinyl laten bezorgen die we hier buiten op een vlak stuk beton en met plastic er onder uitrollen. Op handen en voeten voorovergebogen op de grond afmeten, aftekenen en knippen vraagt om enig doorzettingsvermogen.



De volgende dag met frisse moed beginnen we met het plakwerk, volgens Frits niet moeilijk en zo klaar. Dat valt toch tegen. De hele dikke lijm uit Nederland ( lijm die niet druipt deze keer) smeert lastig. Met een breed plamuurmes en stevige halen lukt het Frits het beste. Ik doe de randjes met een kleiner plamuurmes. Tegen dat de eerste baan helemaal ingesmeerd is wil de strook vinyl al niet meer plakken. De lijm is al te droog geworden. We smeren het opnieuw in en dan lukt het wel. Met schone doeken blijven we het vinyl heel lang aandrukken en uitwrijven tot we zeker zijn dat het blijft zitten. Nu we de truc weten gaat de tweede baan sneller. Die doen we in twee etappes. Het lijkt in elk geval weer fris als het klaar is.

Resten nog twee plafondplaten die we buiten platleggen, met lijm insmeren en plakken. Omdat het een paar dagen hard waait met veel geel Saharazand in de lucht ( en op de boot) moeten we het afwerken even uitstellen.

Het heeft hier afgelopen winter veel geregend. Dat is te merken aan al het groen en de vele bloemen in het wild. Velden vol. Bomen staan in bloei, een soort mimosabomen met de gele balletjes maar zonder de heerlijke geur, perzikbomen met hun liefelijke roze bloemen, sinaasappelbomen met hun bedwelmende geur die me terugvoert naar mijn jeugd tussen de sinaasappelboomgaarden bij Valencia. Langs de kant van de weg vele stalletjes met sinaasappels te koop. Ze zijn ouderwets sappig en geurig. De grootste in de fruitschaal weegt maar liefst 640 gram.







Perzikboom. Foto van Gilda

Op de eerste lentedag is het stralend weer. Ooievaars vliegen af en aan en de visdiefjes uit Afrika hebben hun lange reis naar Europa er op zitten. Toen Lonneke 3 jaar was en Sander 2 declameerde ik in een spontane bui op de eerste lentedag: “Kinderen: zon, lente, stralende dag !”  terwijl ik bij de laatste woorden een pirouette draaide. De kinderen deden me na en hun eerste toneelstukje was een feit. Nog steeds schiet mij dit te binnen op de eerste lentedag.

De zon klimt al hoger en hoger,

De blauwe lucht roept.

Bermen vol  wiegende bloemen in de wind.

Klepperende snavels hoog op hun nest.

Druk twitterende mussen op het plein – waar zou het over gaan?

Slenterende blote voeten door het opwarmende zand.

Zich koesterende zonnestralen op mijn gezicht.

Kon dat zalige lentegevoel maar nooit meer overgaan.



Als het op de werf te lawaaierig of te zanderig is stappen we op de fiets naar het ons nooit vervelend dorp Ferragudo aan de overkant van de rivier. Het anders zo gezellige plein met terrassen is verlaten. Enkel een handjevol mensen bij een afhaalrestaurant, wat bij elkaar rondhangende jeugd en een paar vissers die hun netten proberen te ontrafelen. Toch houd ik ook wel weer van die stilte en rust waarbij de op het oog “niets aan de hand zijnde wereld “  van mij lijkt te zijn.




We huren een dag een auto om zware pakketten uit Nederland op te halen in de haven en om onze vrienden Dag en Anne op te zoeken in de haven van Vilamoura. We hebben hen sinds 1 november, toen we hun anker uit het kluwen van visnetten bevrijd hebben niet meer gezien. De haven is ruim en groot en niet meer te herkennen van veertig jaar geleden toen wij er met Frits zijn eerste catamaran aankwamen in een nog in aanbouw zijnde haven. Waar vroeger de krotten met golfplaten daken voor de werknemers stonden, is nu een gigantisch modern hotel verrezen. De kust is hetzelfde gebleven met zijn mooie dieprode aarde.


De rol vinyl om het plafond te renoveren was echt te zwaar om achterop de vouwfiets mee te nemen, maar dat lukte wel, met een beetje creativiteit, met een andere nieuwe aanwinst :

Een miniwasmachine, goed voor 3 kg, met centrifugemandje ter grote van een slacentrifuge. Maar in combinatie met de watermaker die 30 liter water maakt per uur kunnen we in het vervolg voor anker makkelijk kleine wasjes doen.

De laatste twee dagen van maart loeit een warme Saharawind door de masten. De lucht is raar grauw geel van het Saharazand dat deze kant uitwaait en dat ‘s nachts  met regen gezorgd heeft voor een vies vettig tapijtje. De zon wordt verduisterd door wolken zand. Jammer dat de boot net schoongespoeld was.






Op 1 november 2020 werden we geïnterviewd door Simon en Carla van The Ocean Fox. Ze hebben een Youtubekanaal waar ze filmpjes over zichzelf opzetten maar ook filmpjes en interviews die ze van andere zeilers hebben gemaakt. Dat filmpje is inmiddels klaar en te volgen op:

https://youtu.be/GoHVWK40MZc

Dat hebben ze mooi gedaan vinden we zelf.



 







































 








0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage